Beyond Bulls & Bears

De mythes rond deflatie ontkracht

Dit artikel is ook beschikbaar in: Engels Frans Italiaans Duits Spaans Pools

Consumenten die zijn opgegroeid met de angst voor inflatie vinden het maar wat vreemd dat dalende prijzen een negatieve effect kunnen hebben. Zoals met zoveel dingen kunnen ook dalende prijzen teveel van het goede zijn. Donald Taylor, president en chief investment officer, Franklin Equity Group®, US Value, legt uit waarom de economie voortdurend de juiste balans moet houden tussen deflatie en inflatie. Hij beschrijft ook de maatregelen die de groei stimuleren in diverse delen van de wereld waar deflatie dreigt, en wat er volgens hem op de wereldwijde aandelenmarkten kan gebeuren als die maatregelen succes boeken.

Don Taylor
Don Taylor

Donald G. Taylor, CPA
President en Chief Investment Officer
Portfolio Manager
Franklin Equity Group, US Value

Deflatie – gedefinieerd als de daling van het algemene prijsniveau van goederen en diensten – was de afgelopen decennia een vrijwel onbekend concept bij beleggers en consumenten in de Verenigde Staten. Beleggers die zich vroeger zorgen maakten over het effect van de inflatie (het omgekeerde van deflatie) op hun vermogen, kijken nu soms vreemd op wanneer ze horen hoe beleidsmakers proberen de prijzen weer omhoog te krijgen. Dat is immers precies wat er nu gebeurt in diverse delen van de wereld.

De reden daarvoor is dat een aanhoudende deflatie een even grote bedreiging vormt voor de economie van een land als een galopperende inflatie. Als de prijzen te lang en te sterk dalen, kunnen consumenten hun aankopen uitstellen in de hoop dat ze later minder geld op tafel moeten leggen, en bedrijven zullen minder geneigd zijn producten te maken die dag na dag minder waard zijn. Een dergelijk scenario kan natuurlijk verlammend werken op een economie.

De aanhoudende economische malaise in Japan biedt een voorbeeld van de problemen die deflatie over een lange termijn met zich meebrengt. Nu lijkt de leiding van het land echter eindelijk een tegenoffensief te hebben ingezet, via drie fronten: stimuleringsmaatregelen, monetaire versoepeling en structurele hervormingen. Ook in de eurozone lijkt het spook van de deflatie de laatste tijd de kop op te steken: in december 2014 was de globale inflatie gedaald tot -0,2% op jaarbasis.[1] De daling van de aardolieprijzen zit daar weliswaar voor een groot deel tussen, maar ook de kerninflatie van de regio – dus zonder voeding, brandstof, alcohol en tabak – ligt met 0,8% op een laag pitje.[2]

Het is de taak van de centrale bankiers om zowel een destructieve deflatie als een galopperende inflatie te beteugelen, via een beleid dat de prijsstabiliteit op lange termijn en duurzame groei bevordert. De afgelopen tijd hebben de centrale banken over de hele wereld niet al te veel succes geboekt op dat vlak, maar ik verwacht wel een zekere verbetering, nu de Europese Centrale Bank (ECB) zich opmaakt om het voorbeeld van de Verenigde Staten en Japan te volgen met de invoering van een grootschalig programma voor kwantitatieve versoepeling (quantitative easing, QE).

Kan de ECB de inflatie van de grond krijgen?

Het QE-programma van de ECB omvat de aankoop van obligaties van instellingen van de eurozone voor minstens € 1 biljoen, tot september 2016 of zelfs nog later. De obligatie-aankopen van de ECB zijn bedoeld om geld vrij te maken dat dan hopelijk wordt uitgeleend aan consumenten en bedrijven, die het kunnen uitgeven en zo de groei aanzwengelen. QE-programma’s zijn in het algemeen erop gericht de vraag en de inflatie te versterken door de geldvoorraad uit te breiden, en zo de deflatie te bestrijden.

Het lijdt voor mij geen twijfel dat de ECB en andere centrale banken zoals de Bank of Japan – die uitgaat van ¥ 80 biljoen per jaar voor haar QE-programma – zullen blijven doen wat volgens hen nodig is om de inflatie op te krikken. De situatie ligt wat anders in de Verenigde Staten, waar de Amerikaanse Federal Reserve (Fed) haar QE-programma in 2014 stopzette. Hoewel de Fed de rentevoeten dit jaar wellicht begint te verhogen, probeert zij anderzijds de inflatie in de buurt van haar streefcijfer van 2% te krijgen, wat niet vanzelfsprekend is, nu de val van de grondstoffenprijzen, en dan vooral die van de aardolie, de inflatie voorlopig op een laag peil houdt.

Beleggers die deflatie en een vertragende economische groei vrezen, haasten zich naar de staatsobligaties, wat vooral het afgelopen jaar de obligatiekoersen heeft verhoogd en de rente verlaagd. Als de verschillende QE-programma’s erin slagen de inflatie weer van de grond te krijgen, zou de rente van de langlopende staatsobligaties moeten stijgen. Parallel daaraan zouden de grondstoffenprijzen zich moeten stabiliseren en zou de aardolie wat moeten opveren. Ik verwacht dan ook dat de Amerikaanse dollar, die de laatste tijd flink in waarde is gestegen tegenover valuta’s zoals de euro en de yen, enigszins zal verzwakken. Nu de economieën groeien en de paniek wegebt, zullen de beleggers weer meer vertrouwen krijgen in andere marktsectoren.

De impact op de aandelenkoersen

Nu de wereldwijde groei en de rente zich opmaken om weer te gaan stijgen, zouden aandelen in sectoren die obligatiekenmerken vertonen (zoals nutsbedrijven en onroerende goederen, die het in de Verenigde Staten bijzonder goed hebben gedaan in de huidige context van deflatie en lage groei) wel eens in de koopjeshoek kunnen belanden en achterblijven. Veel opbrengstbeluste maar risicoaverse beleggers zagen zich door de ultralage rentevoeten bijna verplicht om uit te wijken naar dit soort obligatievervangers, die immers zoals obligaties ook een inkomstenpotentieel bieden en door veel marktspelers worden beschouwd als minder risicovol dan de bredere aandelenmarkt. Als de groei echter aantrekt, denk ik dat deze aandelen minder aantrekkelijk zullen worden voor de beleggers.

Aan het andere uiterste van het risicospectrum van nutsbedrijven en vastgoed vinden we de sterk groeigerichte aandelen, die ook uit de gunst kunnen vallen als de vrees voor een wereldwijde vertraging afneemt. Wanneer de wereldgroei vertraagt – of daarover bezorgdheid heerst – stijgen de koersen van heel wat ‘echte’ groeibedrijven, zoals in 2014 het geval was. Dat is ook niet zo vreemd: echte groei is dan schaars en wordt dus duurder in de segmenten waar zij nog te vinden is. Als de omstandigheden echter omslaan en de indruk ontstaat dat de groei meer algemeen wordt, hoeven de beleggers geen premie meer te betalen voor echte groeibedrijven, omdat ook bedrijven buiten het segment van die echte groeibedrijven dan kunnen meegroeien.

Het beleggingsargument

Al met al denk ik weliswaar niet dat de Amerikaanse rente eeuwig op zijn huidige lage peil zal blijven, maar voorlopig zal er nog niet zoveel veranderen. Ik beschouw dat dan ook als een krachtige katalysator voor de aandelen, op voorwaarde dat de inflatie binnen de perken blijft en dat de wereldwijde economie blijft groeien, zelfs in een bescheiden tempo.

In onze portefeuilles die focussen op dividendgroei gaat onze voorkeur uit naar bedrijven die misschien een lagere opbrengst uitkeren, maar die volgens ons wel betere vooruitzichten bieden wat de dividendgroei betreft. Het zou best kunnen dat sectoren met een hogere economische gevoeligheid zoals industrie, materialen en duurzame consumptiegoederen de vruchten zullen plukken als de centrale banken erin slagen om de deflatieverwachting de kop in te drukken. Veel bedrijven in de sectoren van de gezondheidszorg en de basisconsumptiegoederen zijn er jaar na jaar in geslaagd een groei van twee cijfers neer te zetten, een trend die volgens ons nog een tijdje zou moeten aanhouden. Ons uitgangspunt blijft dan ook: bedrijven die hun dividenden optrekken met percentages van twee cijfers boeken doorgaans een stijging van hun koers in lijn met de dividendgroei op lange termijn.

De verklaringen, meningen en analyses in dit document vertegenwoordigen het persoonlijke standpunt van de beleggingsbeheerder. Zij zijn enkel bedoeld ter algemene informatie en mogen niet worden beschouwd als individueel beleggingsadvies of als een aanbeveling of verzoek om enig effect te kopen, te verkopen of te houden, of enige beleggingsstrategie te volgen. Zij vormen geen juridisch of fiscaal advies. De informatie in dit document geldt per de publicatiedatum en kan zonder kennisgeving worden gewijzigd. Zij is niet bedoeld als een volledige analyse van elk belangrijk feit over een land, regio, markt of belegging.

Er kunnen bij de opstelling van dit materiaal gegevens van externe bronnen zijn gebruikt die niet door Franklin Templeton Investments (“FTI”) onafhankelijk zijn gecontroleerd of bevestigd. FTI aanvaardt geen aansprakelijkheid voor verliezen die voortvloeien uit het gebruik van deze informatie, en de gebruiker dient zelf te bepalen in welke mate hij wil vertrouwen op deze verklaringen, meningen en analyses. Producten, diensten en informatie zijn mogelijk niet in alle rechtsgebieden beschikbaar en worden door met FTI gelieerde ondernemingen en/of hun distributeurs alleen aangeboden als dat door de lokale wetten en regels wordt toegestaan. Gelieve uw eigen beleggingsadviseur te raadplegen voor nadere informatie over de beschikbaarheid van producten en diensten in uw rechtsgebied.

U kunt meer inzichten van Franklin Templeton Investments in uw inbox ontvangen. Schrijf in op de Beyond Bulls & Bears blog.

Voor tijdige beleggingstips kunt u ons volgen op Twitter @FTI_Global en op LinkedIn.

Wat zijn de risico’s?

Alle beleggingen gaan met risico’s gepaard, waaronder een mogelijk verlies van het ingelegde kapitaal. De waarde van beleggingen kan zowel dalen als stijgen en beleggers krijgen mogelijk niet het volledige ingelegde bedrag terug. Beleggen in dividenduitkerende aandelen gaat gepaard met risico’s. Aandelenkoersen vertonen soms snelle en scherpe schommelingen als gevolg van factoren die een invloed hebben op individuele bedrijven, specifieke sectoren of bedrijfstakken, of op de algemene marktomstandigheden. Bedrijven kunnen geen rendement of dividendopbrengst garanderen: zij kunnen hun dividenden optrekken, verlagen of zelfs volledig schrappen zonder voorafgaande kennisgeving.


[1] Bron: Eurostat, 7 januari 2015.

[2] Ibid.