Beyond Bulls & Bears

Japan: de lange weg naar groei en inflatie

Dit artikel is ook beschikbaar in: Engels Vereenvoudigd Chinees Frans Italiaans Duits Spaans Pools

China heeft de afgelopen maanden het nieuws gedomineerd doordat de inspanningen van de financiële en politieke autoriteiten van het land om de gevreesde groeivertraging te stuiten juist voor deining op de wereldmarkten hebben gezorgd. Maar aan de andere kant van de Oost-Chinese Zee, in Japan, spelen zich mogelijk even belangrijke ontwikkelingen af, die eveneens belangrijke gevolgen hebben voor de wereldwijde beleggers. Michael Hasenstab, CIO van Templeton Global Macro, onderzoekt de huidige economische dynamiek in Japan en of de ongekende aanpak van het land om de groei en inflatie op te krikken, werkt.

Michael Hasenstab
Michael Hasenstab

Michael Hasenstab, Ph.D.
Executive Vice President, Portfolio Manager, Chief Investment Officer
Templeton Global Macro

Ons nieuwste nummer van Wereldwijde macroverschuivingen focust op Japan, de op twee na grootste economie ter wereld. Japan heeft een nooit eerder geziene koersverandering doorgevoerd om een einde te maken aan bijna twee decennia van lage groei en deflatie. Het al dan niet slagen van de nieuwe strategie zal grote gevolgen hebben voor de wereldwijde economische vooruitzichten.

Om te begrijpen waarom deze beleidsverschuiving nodig was, moet worden gekeken naar hoe Japan in de huidige economische toestand is beland. Wij moeten met andere woorden de oorsprong, de aard en de omvang begrijpen van de uitdagingen die Japan vandaag wachten.

De Japanse economie begon vaart te verliezen in de jaren 1970, toen de groei afzwakte na een lange periode van extreem sterke groei die werd ondersteund door de snelle en succesvolle overname van geïmporteerde technologie. In de late jaren 1980 maakte Japan opnieuw een flinke groeispurt door, dankzij onder meer een soepel monetair beleid. Het reële bbp steeg tussen 1987 en 1990 gemiddeld met 5,5%.

De snelle groei van de late jaren 1980 schiep onrealistische verwachtingen over een lange periode van sterke economische expansie. In combinatie met het soepele monetaire beleid leidde dit tot een enorme aandelen- en vastgoedzeepbel. Daarna gebeurde het onvermijdelijke: de zeepbel barstte en de prijzen van aandelen en vastgoed stortten in. Japan begon aan een periode die nu vaak de verloren decennia worden genoemd.

Het Abenomics-experiment

Zo’n drie jaar geleden, aan het eind van 2012, veranderde de pas verkozen eerste minister van Japan, Shinzo Abe, het geweer van schouder met zijn “Abenomics”, een drastische ommezwaai in het economische beleid om een einde te maken aan de decennia van lage groei en een schijnbaar vastgeroeste deflatie. Het beleid werd opgebouwd rond drie “pijlen”.

De eerste pijl mikt op een veel grotere en agressievere monetaire versoepeling dan voorgaande cyclussen van monetaire expansie. Met haar nieuwe programma voor kwantitatieve en kwalitatieve versoepeling (QQE) heeft de Bank of Japan (BOJ) de monetaire basis meer dan verdubbeld sinds begin 2013. De nationale bank heeft de resterende looptijd van Japanse staatsobligaties in haar portefeuille sterk verlengd en voerde grote rechtstreekse aankopen uit van risicovollere effecten. Deze strategie heeft grote verschuivingen in de portefeuilles van Japanse financiële instellingen teweeggebracht en heeft een duidelijk signaal uitgestuurd dat de BOJ vastberaden is om een krachtige monetaire stimulans te blijven geven totdat de inflatie duurzaam is gestegen tot circa 2%.

Het inflatiedoel van 2% is nog niet bereikt, deels door de scherpe daling van de grondstoffenprijzen op de wereldmarkt en ten dele omdat het moeilijker bleek te zijn dan verwacht om de inertie van diepgewortelde verwachtingen van een inflatie rond het nulpunt te doorbreken en het loonbeleid te veranderen. Het QQE-programma is er echter in geslaagd de kerninflatie, die gedurende 15 jaar bijna altijd onder het nulpunt was gebleven, stevig te verankeren in positief terrein. QQE heeft ook een grote impact gehad op de beurskoersen: zo is de yen bijna 40% gedaald tegenover de US dollar (USD) en zijn de aandelenkoersen meer dan verdubbeld sinds de start van QQE in 2013.

De tweede pijl bestaat uit een voorzichtig begrotingsbeleid dat balanceert op een zeer dunne lijn tussen ondersteuning van een hogere groei en inflatie enerzijds en duurzame overheidsschulden anderzijds. Nadat de moedige btw-verhoging in april 2014 de groei deed stokken, lag de focus van de begroting op een geloofwaardig consolidatiekader op middellange termijn, gecombineerd met verlagingen van de vennootschapsbelasting in 2015–2016 om de groei op korte termijn te ondersteunen.

De bruto overheidsschuld van Japan bedraagt een duizelingwekkende 245% van het bruto binnenlands product (bbp) en is niet houdbaar met het huidige beleid. Tot dusver is de financiële stabiliteit van het land niet in gevaar gekomen dankzij extreem gunstige omstandigheden. De Japanse schuld wordt gedekt door hoge binnenlandse spaarreserves, waarvan minder dan 10% in handen is van buitenlandse beleggers. Daarnaast biedt QQE aanvullende steun langs de vraagzijde en heeft de rente mede laag gehouden. Deze gunstige omstandigheden zullen echter niet eeuwig blijven duren.

Een hogere inflatie is een noodzakelijke voorwaarde, maar Japan moet ook de reële bbp-groei opkrikken. Daarom omvat de derde pijl een een grote variëteit aan structurele hervormingen. Hoewel de potentiële bbp-groei is gedaald tot een karige 0,5%, is de productiviteit in Japan blijven stijgen, in lijn met andere geavanceerde economieën zoals de Verenigde Staten en Duitsland. Structurele hervormingen kunnen de productiviteitsgroei een extra duwtje in de rug geven, maar ze moeten ook zowel het kapitaal- als het arbeidsniveau verhogen om een echte impact te hebben op het algemene groeicijfer. Er zullen vooral meer hervormingen nodig zijn om de gevolgen op te vangen van de snelle vergrijzing van de Japanse bevolking, waardoor de beroepsbevolking tegen 2030 verschillende miljoenen arbeidskrachten minder zou tellen. De overheid zal extra maatregelen moeten nemen om meer vrouwen aan het werk te krijgen, oudere werknemers aan te moedigen langer aan het werk te blijven, meer geselecteerde immigratie toe te laten en de arbeidsmarkt flexibeler te maken.

Het Abenomics-beleid is een duidelijke koerswijziging, die al een onmiskenbare impact op de Japanse economie heeft gehad. Desondanks is de weg naar duurzame hogere groei en inflatie nog lang. Premier Abe won overtuigend de vervroegde verkiezingen van december 2014, een bewijs dat zijn hervormingen nog steeds op steun van de bevolking kunnen rekenen. De regering zal echter de inspanningen moeten opvoeren in enkele sleuteldomeinen, in het bijzonder op de arbeidsmarkt. Intussen heeft de BOJ volgens ons geen andere keuze dan haar extreem soepele monetaire beleid te handhaven. Mogelijk zal ze haar QQE-programma verder uitbreiden, wat weer zou moeten leiden tot een lange periode van een zwakke(re) yen en lage rente.

Capture

Bekijk het onderstaande filmpje voor meer ideeën van Michael over Japan.

 

Sharing off


Voor een meer gedetailleerde analyse van markten over de hele wereld kunt u Wereldwijde macroverschuivingen raadplegen, een onderzoeksgebaseerde briefing over de wereldeconomie waarin de analyses en meningen van dr. Michael Hasenstab en andere senior leden van Templeton Global Macro worden gepresenteerd. Dr. Hasenstab en zijn team beheren Templetons wereldwijde obligatiestrategieën, waaronder unconstrainde vastrentende waardenstrategieën, valutastrategieën en wereldwijde macro-economische strategieën. Zijn team van economen, die zijn opgeleid aan enkele van ’s werelds meest gerenommeerde universiteiten, koppelt een wereldwijde macro-economische analyse aan diepgaand onderzoek op landenniveau om langdurige evenwichtsverstoringen op te sporen die beleggingskansen kunnen opleveren.

De verklaringen, meningen en analyses zijn de persoonlijke kijk van de beleggingsbeheerder. Zij zijn louter bedoeld ter algemene informatie, en zij mogen niet worden beschouwd als individueel beleggingsadvies of een aanbeveling om welke effecten dan ook te kopen, te verkopen of te houden, of om welke beleggingsstrategie dan ook te volgen. Zij vormen geen juridisch of fiscaal advies. De informatie in dit document wordt verstrekt per de publicatiedatum en kan zonder kennisgeving veranderen en ze is niet bedoeld als een volledige analyse van elk belangrijk feit over een land, regio, markt of belegging.

Er kunnen bij de opstelling van dit materiaal gegevens van externe bronnen zijn gebruikt die niet door Franklin Templeton Investments (“FTI”) onafhankelijk zijn gecontroleerd of bevestigd. FTI aanvaardt geen aansprakelijkheid voor verliezen die voortvloeien uit het gebruik van deze informatie, en de gebruiker dient zelf te bepalen in welke mate hij wil vertrouwen op deze verklaringen, meningen en analyses. Producten, diensten en informatie zijn mogelijk niet in alle rechtsgebieden beschikbaar en worden door met FTI gelieerde ondernemingen en/of hun distributeurs alleen aangeboden als dat door de lokale wetten en regels wordt toegestaan. Gelieve uw eigen professioneel adviseur te raadplegen voor meer informatie over de beschikbaarheid van producten en diensten in uw rechtsgebied.

U kunt meer inzichten van Franklin Templeton Investments in uw inbox ontvangen. Schrijf in op de Beyond Bulls & Bears blog.

Voor tijdige beleggingstips kunt u ons volgen op Twitter @FTI_Belgium en op LinkedIn.

Wat zijn de risico’s?

Alle beleggingen gaan met risico’s gepaard, waaronder een mogelijk verlies van het ingelegde kapitaal. De waarde van beleggingen kan zowel dalen als stijgen en beleggers krijgen mogelijk niet het volledige ingelegde bedrag terug. Obligatiekoersen evolueren doorgaans in omgekeerde richting als de rente. Wanneer de koersen van obligaties in een beleggingsportefeuille zich aanpassen aan een stijging van de rente, kan de waarde van de portefeuille dienovereenkomstig dalen. Beleggingen in het buitenland zijn onderhevig aan speciale risico’s zoals wisselkoersschommelingen, economische instabiliteit en politieke ontwikkelingen. Beleggingen in landen met een opkomende markt, waar frontiermarkten een subset van vormen, gaan gepaard met grotere risico’s die verband houden met dezelfde factoren, boven op de risico’s die verbonden zijn aan hun relatief geringe omvang, de lagere liquiditeit en het gebrek aan een gevestigd wettelijk, politiek, zakelijk en sociaal kader om effectenmarkten te ondersteunen.