Beyond Bulls & Bears

Alternatieven

Opkomende markten: de kansen in kaart gebracht

Dit artikel is ook beschikbaar in: Engels Vereenvoudigd Chinees Frans Italiaans Duits Spaans Pools

In de recentste editie van ‘Global Macro Shifts‘ verschaft het team van Templeton Global Macro een grondige analyse van opkomende markten die ons eraan herinnert dat de manier waarop elk land het hoofd biedt aan zijn politieke en economische uitdagingen uiteindelijk bepaalt hoe leefbaar het is. In dit dit beknopte uittreksel van de volledige onderzoeksgebaseerde briefing geeft CIO Michael Hasenstab een overzicht van de standpunten van het team.

De laatste jaren zijn voor opkomende markten een beproeving geweest: 2015 was het vijfde opeenvolgende jaar waarin de groei vertraagde. Aangezien ze onmiddellijk na de wereldwijde financiële crisis een uitzonderlijk sterk herstel lieten optekenen, was enige vertraging altijd wel te verwachten. Maar in de laatste jaren kwamen er boven op de normale cyclische vertraging enkele ernstige schokken die onderling met elkaar verweven zijn. Hoewel deze schokken ernstig waren, hebben ze in de opkomende markten geen nieuwe systemische crisis veroorzaakt zoals in de jaren 90. Vooralsnog hebben ze vooral geleid tot een tragere economische groei, en niet tot ernstige crisis die in de prijzen lijkt te zijn verrekend. Dat de groei zo verrassend goed standhoudt kan volgens ons worden verklaard door de lessen die opkomende markten uit eerdere financiële crisissen hebben geleerd, en waardoor vele, zij het niet alle opkomende markten, aanzienlijke buffers en veiligheidsnetten konden opbouwen.

De belangrijkste stap die opkomende markten wellicht hebben genomen om hun kwetsbaarheid voor financiële crisissen terug te dringen, is de opmerkelijke verdieping van de binnenlandse financiële markten in de loop van de laatste 10 jaar. In veel landen kon er dankzij de steeds grotere brede middenklasse een betrouwbare binnenlandse investeerdersbasis ontstaan. Zo zijn de totale activa die door binnenlandse verzekeraars en pensioenfondsen in opkomende markten worden gehouden, gestegen van USD 2,3 biljoen in 2005 tot circa USD 6 biljoen in 2013, gestimuleerd door de uitbreiding van de verzekeringssector in de opkomende markten van Azië en door pensioenfondsen in Latijns-Amerika.[1] Mexico valt op omdat het minder sterk afhankelijk is van de banksector als bron van binnenlands kapitaal. Deze overgang naar een evenwichtigere financiering heeft de financiële weerbaarheid verbeterd. Binnenlandse institutionele beleggers kunnen een stabiliserende kracht zijn wanneer activaprijzen instorten tot niveaus die duidelijk niet meer in overeenstemming zijn met de fundamentals, en in het verleden heeft het gebrek aan een solide bestand van binnenlandse beleggers de gevolgen van financiële volatiliteit vaak uitvergroot.

Natuurlijk zijn financiële risico’s van regio tot regio en van land tot land ook zeer uiteenlopend. Wel blijken er enkele veelvoorkomende thema’s te zijn. Ten eerste lijkt het besmettingsrisico te zijn afgenomen. Dezelfde overdrachtsmechanismen via financiële banden, handel en valutadevaluaties uit concurrentieoverwegingen waren ook de laatste jaren aanwezig, maar ze hebben economieën niet op zo’n bruuske manier overstelpt als in het verleden. Ten tweede waren de recentste crisissen relatief beheerste valutacrisissen, zoals in het geval van Brazilië, zonder dat de gevolgen onmiddellijk overstroomden naar het bankensysteem. Globaal zijn de verdedigingslinies breder geworden. Beleidsmakers in tal van landen beschikken over meer opties en hebben meer tijd om te reageren wanneer de volatiliteit toeneemt en hun economieën onder druk komen te staan. Hoewel de schuldniveaus in opkomende markten sinds de wereldwijde financiële crisis zijn gestegen, wijzen deze ontwikkelingen erop dat het solide karakter van de financiële architectuur in veel landen enigszins is verbeterd, en suggereren ze een grotere mondiale weerbaarheid dan in het verleden.0716_GMS_EM_1

Opkomende markten hebben de laatste 10 jaar belangrijke veranderingen ondergaan, en op basis daarvan hebben wij een nieuw kader ontworpen om de beleggingsrisico’s en -kansen in afzonderlijke markten te beoordelen. Ons kader gaat verder dan de traditionele indicatoren van externe kwetsbaarheid, en houdt rekening met de veel grotere rol die de lokale schuldmarkten voor hun rekening nemen. Ons kader heeft dan ook in eerste instantie aandacht voor de kracht van de binnenlandse vraag, de kwaliteit van het macro-economische beleid en de mate waarin afzonderlijke landen lessen hebben getrokken uit eerdere crisissen. Op basis van dit kader hebben wij onze eigen index voor de weerbaarheid van lokale markten ontwikkeld, de Local Markets Resilience Index (LMRI), om landen in te delen op basis van hun huidige en verwachte situatie. Wij zijn van oordeel dat deze methode een veel betere richtlijn voor beleggingskansen verschaft dan de beperkte focus op externe kwetsbaarheden die op financiële markten nog steeds overheerst.

Voor elke factor beoordelen we de huidige en de verwachte situatie afzonderlijk om de risicograad volgens de beleggingshorizon in te schatten. We tellen de scores op de vijf afzonderlijke categorieën bij elkaar op om een globale landenscore te verkrijgen: onze intern ontwikkelde LMRI. De score op elke categorie is per definitie in grote mate gebaseerd op ons subjectieve oordeel; niettemin menen wij dat het een voldoende strenge maatstaf verschaft om verschillende markten te beoordelen en te vergelijken op een manier waardoor wij het werkelijke onderliggende risico kunnen beoordelen en interessante kansen kunnen identificeren als onze score aanzienlijk afwijkt van de risicobeoordeling die in de marktprijzen besloten ligt.

De score van landen is gebaseerd op de vijf bovenvermelde criteria. Aan elk criterium wordt een waarde van -2 tot +2 toegekend voor de huidige situatie, en een vergelijkbare waarde voor de verwachte vooruitzichten volgens het team. In de onderstaande grafiek worden de resultaten van ons scoresysteem gepresenteerd voor de geselecteerde subreeks van opkomende markten in de verschillende regio’s.

Onze casestudy’s illustreren enkele aspecten van het onderzoek dat de groep verricht bij de analyse van afzonderlijke landen, in combinatie met de score van elk land. We hebben gekozen voor Mexico, Brazilië, Indonesië en Maleisië.

0716_GMS_EM_2Samenvatting van onze LMRI-score voor Mexico

0716_GMS_Mexico_LMRI

Mexico is het typische voorbeeld van een land dat uit vorige crisissen lessen heeft geleerd en vervolgens niet alleen zijn macro-economische kwetsbare punten heeft teruggeschroefd, maar ook globale structurele hervormingen heeft doorgevoerd. In onze LMRI verdient Mexico de hoogste scores voor Geleerde lessen — Mexico heeft een flexibele wisselkoers ingevoerd, valutareserves opgebouwd en de schuld op korte termijn afgebouwd — en Structurele hervormingen, zowel nu als voor de toekomst, waarbij de diepgang en de brede schaal van Mexico’s recente inspanningen opvallen ten opzichte van andere opkomende markten; de Beleidsmix is sterk en wordt sterker, met een voorzichtig begrotingsbeleid dat de afhankelijkheid van olie-inkomsten heeft teruggedrongen en een proactief monetair beleid; de Externe kwetsbaarheid is beperkt, aangezien het aandeel van olie in de totale export gestaag afneemt ten gunste van industrieproducten; en ook de Binnenlandse vraag is bijzonder robuust dankzij een gezonde groei van de reële lonen en een lage werkloosheid, hoewel wij verwachten dat dit cijfer in de toekomst enigszins verzwakt door de aanhoudende begrotingsconsolidatie. Globaal genomen behaalt Mexico een score die de maximumscore op onze LMRI benadert, zowel voor de huidige situatie als voor de toekomst.

Samenvatting van onze LMRI-score voor Brazilië

0716_GMS_Brazil_LMRI

Brazilië valt op als een kwetsbare markt, die naar ons oordeel echter klaar is voor een aanzienlijk herstel. In onze LMRI behaalt Brazilië een behoorlijke score voor Geleerde lessen: Brazilië heeft een flexibele wisselkoers ingevoerd, beschikt over solide valutareserves en een beperkte schuld op korte termijn; dit komt ook tot uiting in een gematigde en verbeterende score voor Externe kwetsbaarheid, waarbij de afhankelijkheid van grondstoffen de achilleshiel vertegenwoordigt. De scores voor de huidige situatie op het gebied van Beleidsmix, Structurele hervormingen en Binnenlandse vraag bevinden zich op de laagste niveaus, zoals weerspiegeld in de combinatie van een diepe recessie en politieke onrust. Wij verwachten echter dat de Binnenlandse vraag zal stabiliseren, dat de Beleidsmix opmerkelijk zal verbeteren (een proces dat in bepaalde gebieden al aan de gang is) zodra er een nieuwe regering is, en dat de Structurele hervormingen enigszins zullen verbeteren.

Samenvatting van onze LMRI-score voor Indonesië

0716_GMS_Indonesia_LMRI

Indonesië behaalt consequent goede resultaten voor de meeste van onze belangrijkste factoren. In onze LMRI behaalt Indonesië de topscore voor Binnenlandse vraag, zowel voor de huidige situatie als voor de toekomst, gesteund door gunstige demografische factoren; een solide score voor Beleidsmix, zowel voor de huidige situatie als voor de toekomst, dankzij een voorzichtig begrotingsbeleid en de recente subsidiehervormingen; een gematigde en stabiele score voor Externe kwetsbaarheid, dankzij een gezond niveau van valutareserves; een score voor Structurele hervormingen die zich in het midden van het bereik bevindt, waarbij in de toekomst enige verbetering wordt verwacht – Indonesië moet meer investeren in infrastructuur; en een score voor Geleerde lessen van een mooie +1, zowel voor de huidige situatie als voor de toekomst – het land heeft de lessen van de Aziatische financiële crisis ter harte genomen, heeft een flexibele wisselkoers ingevoerd en handhaaft gezonde niveaus van valutareserves.

Samenvatting van onze LMRI-score voor Maleisië

0716_GMS_Malyasia_LMRI

Maleisië levert op basis van onze waarderingfactoren uitstekende prestaties. Uit onze LMRI blijkt de bijzonder solide Binnenlandse vraag van Maleisië, hoewel wordt verwacht dat die in de toekomst enigszins verzwakt; Maleisië behaalt een topscore voor Geleerde lessen, zowel voor de huidige situatie als voor de toekomst, omdat het land een flexibele wisselkoers heeft ingevoerd en een voorzichtig macro-economisch beleid hanteert; het land scoort goed op Structurele hervormingen dankzij robuuste instellingen en transparantie, hoewel wij in de toekomst enige struikelblokken zien voor de verdere invoering van hervormingen; de Beleidsmix behaalt een mooie +1 zowel voor de huidige situatie als voor de toekomst en weerspiegelt de aanhoudende begrotingsconsolidatie en het voorzichtige monetaire beleid; en de Externe kwetsbaarheid is beperkt aangezien de export in hoge mate is gediversifieerd en volgens de verwachtingen nog verder zal verbeteren.

Wereldwijd klimaat

Verenigde Staten

De Amerikaanse economie blijft gestaag herstellen, waardoor de nakende recessie die eerder dit jaar door de markt werd gevreesd, van het toneel verdwijnt. De bbp-groei voor het eerste kwartaal (Q1) van 2016 was relatief gering en bedroeg 0,8%, maar dit heeft vooral te maken met bekende seizoensgebonden factoren.[2] In een recente toespraak verklaarde de voorzitter van de Federal Reserve (Fed) van San Francisco, John Williams, dat een aanpassing om rekening te houden met residuele seizoensgebonden factoren in het eerste kwartaal volgens de analyse van zijn personeel een werkelijke bbp-groei van meer dan 2% zou opleveren.[3]Bovendien waren de indicatoren voor de economische activiteit de laatste paar maanden op alle fronten robuust: Het consumentenvertrouwen bevindt zich nagenoeg op een recordniveau, de winkelverkopen zijn solide en de woningmarkt houdt nog steeds goed stand.

De arbeidsmarkt trekt verder aan: Er komen nog altijd meer nieuwe banen bij dan de toename van de beroepsbevolking kan verwerken en de werkloosheid is tot 4,7% gedaald, wat samenhangt met een zeker herstel in de participatiegraad. De enige opmerkelijke uitzondering was het looncijfer voor mei, dat onverwacht laag lag: Hoewel het tempo van de werkgelegenheid op natuurlijke wijze zou moeten vertragen naarmate we volledige werkgelegenheid bereiken of naderen, lijkt het cijfer van de lonen buiten de landbouwsector van 38.000 een uitschieter die niet past bij alle andere indicatoren voor de arbeidsmarkt die blijk geven van een aanhoudend solide toestand. De krappere voorwaarden op de arbeidsmarkt vertalen zich sinds kort in een hogere druk op de lonen: De samengestelde loonindicator van de Atlanta Fed steeg in april tot 3,4% op jaarbasis, de sterkste groei sinds begin 2009. [4]

Zoals we in onze vorige editie van Global Macro Shifts (GMS 4)[5] al hadden aangegeven, neemt de nominale inflatie inmiddels toe. De kerninflatie is stabiel gebleven op circa 2%, wat erop wijst dat de vorige daling in de nominale inflatie een weerspiegeling was van de lagere energieprijzen, en niet van de zwakkere economische activiteit of bredere desinflatietendensen. Sinds het begin van dit jaar zijn de olieprijzen eerst gestabiliseerd en vervolgens enigszins sterker gestegen dan verwacht. In GMS 4 ontwierpen we een model om inflatie te voorspellen. We merkten op dat zelfs als de olieprijzen de rest van 2016 zouden worden gehandhaafd op de niveaus van USD 30 per vat die in het begin van het jaar gangbaar waren, de ongunstige impact van het basiseffect op de nominale inflatie waarschijnlijk tegen januari 2017 zou verdwijnen. Hierdoor zou vervolgens de weg worden vrijgemaakt voor een stijging van de consumentenprijzen. [6] Sindsdien zijn de olieprijzen in werkelijkheid echter niet op USD 30 per vat gebleven, maar zijn ze gestegen tot circa USD 50 per vat, wat suggereert dat het herstel van de nominale inflatie de komende maanden wellicht zal aanhouden, en bovendien in een sneller tempo zal plaatsvinden.

Met andere woorden: de recente gegevens over de activiteit, de lonen en de inflatie bevestigden het tegendraadse standpunt dat wij in het begin van het jaar in onze GMS onder woorden brachten: namelijk dat de inflatie zou stijgen, met veeleer opwaartse risico’s.

Deze ontwikkelingen in de activiteit en de inflatie werden weerspiegeld in het enigszins agressievere discours van de Fed in april en mei, toen uit een reeks publieke verklaringen door leden van de Fed bleek dat een tweede verhoging van de beleidsrente mogelijk al op de junivergadering van het Federal Open Market Committee (FOMC) gepast zou zijn — een standpunt dat in de notulen van de FOMC-vergadering van april werd herhaald. Hierdoor waren de financiële markten genoodzaakt om de kans op een renteverhoging in juni of juli – die voorheen niet in de prijzen was verrekend – snel opwaarts te herzien. Na het cijfer over de lonen buiten de landbouw van mei heeft de Fed echter opnieuw een voorzichtiger standpunt ingenomen: De bank heeft de rente op de junivergadering gehandhaafd, waarbij de ‘dots’ naar beneden verschoven, wat erop wijst dat leden van het FOMC dit jaar gemiddeld een minder agressieve verhogingscyclus verwachten. Deze verschuiving in het standpunt van de Fed werd opnieuw al snel weerspiegeld in de marktverwachtingen.

De frequente verschuivingen in het discours van de Fed hebben de geloofwaardigheid van de Bank ondermijnd, vooral gezien de over het algemeen robuuste economische tendensen. Na de renteverhoging van december 2015 had de Fed erop gewezen dat er in de loop van 2016 waarschijnlijk nog vier renteverhogingen zouden plaatsvinden. Toen de olieprijzen en de aandelenkoersen in het begin van het jaar opnieuw daalden, nam de Fed een inschikkelijker standpunt in, waarbij de nadruk gelegd werd op de neerwaartse risico’s voor de wereldwijde groei en waardoor de markt voor de rest van het jaar nauwelijks of geen verandering in de beleidsrente verwachtte. Toen de toon in april-mei agressiever werd, bleven de renteverwachtingen van de financiële markten achterop bij de door de Fed aangegeven ‘dots’, wat erop wees dat zij verwachtten dat de Fed misschien nogmaals van standpunt zou veranderen, wat in juni ook werkelijk gebeurde.

Wij zijn er nog steeds van overtuigd dat voor de tendensen van de Amerikaanse groei en inflatie een verdere aanzienlijke verkrapping van het monetaire beleid nodig is. Naar onze mening blijkt uit de recente ontwikkelingen immers duidelijk dat de kans groter wordt dat de Fed achterop blijft met zijn monetaire-beleidsreactie. Als dat zo is, zou de Fed in de loop van 2017 genoodzaakt kunnen zijn om de rente sneller te verhogen dan momenteel gepland, en veel sneller dan de markten momenteel verwachten.

Japan

Inmiddels is de Bank of Japan (BoJ) in de voetsporen van de Europese Centrale Bank (ECB), de Zweedse Riksbank en de Zwitserse Nationale Bank getreden op het terrein van de negatieve rentevoeten. De BoJ verlaagde de monetaire-beleidsrente met 10 basispunten tot -10 basispunten in januari van dit jaar, in een poging om de deflatie-impact van lagere energieprijzen te bestrijden. De inspanningen van de BoJ werden echter ondermijnd door de gelijktijdige verschuiving in het discours van de Fed. Op zijn decembervergadering had de Fed de markten immers laten geloven dat de rente in 2016 viermaal zou worden verhoogd. Tegen maart was dit aantal teruggeschroefd tot twee renteverhogingen. Dienovereenkomstig evolueerde de mate waarin de marktprijzen rekening hielden met renteverhogingen door de Fed van circa 90 basispunten voor het jaar tot een dieptepunt van circa 20 basispunten in februari, wat neerkomt op een daling van 70 basispunten ten opzichte van december.[7] Met andere woorden: de discourswijziging van de Fed heeft de impact van de renteverhoging van december in werkelijkheid ruimschoots tenietgedaan, met een effectieve versoepeling die het initiatief van de BoJ overtrof. Het kwam dan ook niet als een verrassing dat de Japanse yen vervolgens aanzienlijk in waarde steeg ten opzichte van de Amerikaanse dollar – zelfs na de recentste agressieve verklaringen van de Fed is de yen sinds het begin van het jaar tot de analysedatum van deze publicatie halverwege juni met circa 13% gestegen. Sinds januari heeft de BoJ het beleid niet gewijzigd – volgens ons heeft de BoJ beslist dat een verdere monetaire versoepeling niet effectief zou zijn tot de Fed zijn cyclus van renteverhogingen herneemt. Wat de toekomst betreft, zijn wij van mening dat de vooruitzichten voor de groei en de inflatie in Japan het beleid van de BoJ versoepelend zullen houden; als de Fed de verstrakking van zijn monetaire beleid uiteindelijk herneemt, zou de yen bijgevolg opnieuw in sterke mate moeten dalen.

Eurozone

Ook de ECB heeft de weg van de negatieve rentevoeten ingeslagen. De ECB heeft moeite om de inflatie en de inflatieverwachtingen binnen het streefbereik te krijgen. De groei in de eurozone is relatief solide en weerspiegelt een cyclische opleving gesteund door een zwakkere euro en een soepel monetair beleid. De opgebouwde zwakte in de economie heeft de druk op de prijzen echter beperkt gehouden, en wij verwachten dat het monetaire beleid van de ECB nog enige tijd soepel zal blijven en achterop blijft bij de renteverhogingcyclus van de Fed.

China

Ons standpunt over China is niet veranderd. Beleidsmakers zijn tussenbeide gekomen om te verhinderen dat de bbp-groei verder vertraagt, door een hogere groei van de kredieten en een zeker herstel in de infrastructuurinvesteringen. Uit de recentste indicatoren over de activiteit blijkt dat deze initiatieven doorgaans geslaagd zijn, en wij zijn er nog steeds van overtuigd dat China ook in 2017 een zachte landing zal beleven, waarbij er een delicaat evenwicht wordt bereikt tussen het ondersteunen van de groei en voldoende vaart houden in het tempo van de hervormingen. De vooruitzichten voor China worden nog steeds gekenmerkt door het klassieke ‘beleidstrilemma’, namelijk de onmogelijkheid om een flexibele wisselkoers, liberalisering van de kapitaalstromen en een onafhankelijk monetair beleid met elkaar te verzoenen. Eerder dit jaar vreesden de financiële markten dat China dat zou bewerkstelligen via een aanzienlijke daling van de wisselkoers om de groei te stimuleren. Wij meenden dat China in plaats daarvan een evenwicht zou bereiken door het proces van de liberalisering van kapitaalrekeningen te vertragen en in sommige gevallen zelfs om te keren. Kapitaalcontroles zouden kunnen worden gebruikt om het verlies in valutareserves op te vangen en om de onmiddellijke druk op de wisselkoers weg te nemen, en tegelijkertijd een geleidelijke waardedaling toe te staan. Dit is inderdaad de koers die de Chinese overheid heeft gevolgd, en wij verwachten dat deze strategie wordt voortgezet.

 

Voor een meer gedetailleerde analyse kunt u ‘Opkomende markten: de kansen in kaart gebracht‘ raadplegen, een onderzoeksgebaseerde briefing over de wereldeconomie waarin de analyses en meningen van dr. Michael Hasenstab en andere senior leden van Templeton Global Macro worden gepresenteerd. Dr. Hasenstab en zijn team beheren Templetons wereldwijde obligatiestrategieën, waaronder niet aan een benchmark gekoppelde strategieën voor vastrentende waarden, valutastrategieën en wereldwijde macro-economische strategieën. Zijn team van economen, die zijn opgeleid aan enkele van ’s werelds meest gerenommeerde universiteiten, koppelt een wereldwijde macro-economische analyse aan diepgaand onderzoek op landenniveau om langdurige evenwichtsverstoringen op te sporen die beleggingskansen kunnen opleveren.

De verklaringen, meningen en analyses vertegenwoordigen het persoonlijke standpunt van de beleggingsbeheerder. Zij zijn enkel bedoeld ter algemene informatie en mogen niet worden beschouwd als individueel beleggingsadvies of als een aanbeveling of verzoek om enig effect te kopen, te verkopen of te houden, of enige beleggingsstrategie te volgen. Ze vormen geen juridisch of fiscaal advies. De informatie in dit document wordt verstrekt per de publicatiedatum en kan zonder kennisgeving veranderen, en is niet bedoeld als een volledige analyse van elk belangrijk feit over een land, regio, markt of belegging.

Er kunnen bij de opstelling van dit document gegevens van externe bronnen zijn gebruikt die niet onafhankelijk door Franklin Templeton Investments (‘FTI’) zijn gecontroleerd of bevestigd. FTI aanvaardt geen aansprakelijkheid voor verliezen die voortvloeien uit het gebruik van deze informatie, en de gebruiker dient zelf te bepalen in welke mate hij wil vertrouwen op deze verklaringen, meningen en analyses. Producten, diensten en informatie zijn mogelijk niet in alle rechtsgebieden beschikbaar en worden alleen door andere gelieerde ondernemingen van FTI en/of hun distributeurs aangeboden als dat door de lokale wet- en regelgeving wordt toegestaan. Gelieve uw eigen beleggingsadviseur te raadplegen voor nadere informatie over de beschikbaarheid van producten en diensten in uw rechtsgebied.

U kunt meer vooruitzichten van Franklin Templeton Investments in uw inbox ontvangen. Schrijf in op de blog Beyond Bulls & Bears.

Voor tijdige beleggingstips kunt u ons volgen op Twitter @FTI_Global en op LinkedIn.

Wat zijn de risico’s?

Alle beleggingen gaan met risico’s gepaard, waaronder een mogelijk verlies van het ingelegde kapitaal. De waarde van beleggingen kan zowel dalen als stijgen en beleggers krijgen mogelijk niet het volledige ingelegde bedrag terug. Obligatiekoersen evolueren doorgaans in omgekeerde richting als rentevoeten. Wanneer de koersen van obligaties in een beleggingsportefeuille zich aanpassen aan een stijging van de rentevoeten, kan de waarde van de portefeuille dalen. Buitenlandse effecten houden speciale risico’s in, zoals wisselkoersschommelingen en economische en politieke onzekerheid. Beleggingen in opkomende markten gaan gepaard met grotere risico’s die verband houden met dezelfde factoren, boven op de risico’s die verbonden zijn aan hun relatief geringe omvang en de lagere liquiditeit.

[1] Bron: JP Morgan.

[2] Bron: US Bureau of Economic Analysis. Dit cijfer is op kwartaalbasis en wordt elk seizoen aangepast op basis van een percentage op jaarbasis (k-o-k, saar).

[3] Bron: Federal Reserve Bank van San Francisco.

[4] De loonindex van de Atlanta Fed volgt de groei van de mediane lonen voor een ‘matched sample’ van medewerkers (medewerkers die 12 maanden lang onophoudelijk op dezelfde plaats zijn tewerkgesteld) om samenstellingseffecten te beheersen.

[5] Inflatie: Dood of gewoon vergeten? (GMS 4) Templeton Global Macro, Franklin Templeton Investments, februari 2016.

[6] In GMS 4 hebben we zeven verschillende alternatieve specificaties van een Phillips-curverelatie getest. We kozen het beste prognosemodel door de kwadratisch gemiddelde fout van de prognoses in vergelijking met de gerealiseerde inflatiewaarden tot een minimum te beperken. Met behulp van onze geprefereerde specificatie voor de prognose voor de inflatie vier kwartalen in de toekomst voorspelden wij dat de nominale inflatie op basis van de dan geldende fundamentals tegen eind 2016 meer dan 2% zou bedragen. Vervolgens namen we in het model de impact van de in de loop van 2015 gedaalde olieprijzen op, en presenteerden we de impact van olieprijzen die niet zouden stijgen tot boven het niveau van USD 30/vat.

[7] Bron: Berekeningen door Templeton Global Macro op basis van gegevens van Bloomberg. Renteverwachtingen berekend met behulp van termijncontracten op een jaar ten opzichte van de driemaands LIBOR als voorbeeld.